Uw zoekacties: Gemeentebestuur, Almkerk
x0318 Gemeentebestuur, Almkerk
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0318 Gemeentebestuur, Almkerk
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
sluiten
0318 Gemeentebestuur, Almkerk
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Gemeente Almkerk
1811 - 1973
In de inleiding op deze archiefinventaris wil ik niet al te uitgebreid ingaan op de geschiedenis van Almkerk en Uitwijk. Anderen hebben dit reeds vóór mij gedaan en/of zullen dit zeker nog doen met gebruikmaking van de door middel van deze inventaris toegankelijk gemaakte archiefbescheiden.
Ik heb mij daarom beperkt tot het opsommen van enkele historische feiten en tot een korte beschrijving van de ontwikkeling van het gemeentebestuur in de 19e eeuw en van de lotgevallen van het archief, alsmede van de wijze waarop het archief is geordend.
1. Het dorp
Almkerk en Uitwijk (vanaf 1879 Almkerk) was een gemeente in het land van Altena. Aan de noord- en westzijde grensde zij aan de gemeente De Werken en Sleeuwijk en aan Rijswijk, aan de oostzijde aan de gemeente Giessen en aan de zuidzijde tot 1879 aan Emmikhoven en Waardhuizen en daarna aan Dussen en Meeuwen.
Gelegen in het land van Heusden en Altena, ressorteerde het tot 1795 onder het gewest Holland. In de Franse tijd hoorde het soms tot Holland, dan weer tot Brabant. Bij Keizerlijk Decreet van 14 mei 1810 werd het tot dan toe zelfstandige dorp Uitwijk bij Almkerk gevoegd. In 1815 werd het land van Heusden en Altena definitief bij de provincie Brabant ingedeeld.
Op 13 juni 1820 werden de grenzen van de gemeente vastgesteld.
Het aantal inwoners bedroeg in:
1815 1148
1851 1447
1860 1518
1870 1582
1880 2899 (in 1879 samengevoegd met Emmikhoven en Waardhuizen)
1890 3078
1900 3217
1910 3365
1920 3489
1930 3744
De samenstelling van de beroepsbevolking was in 1851 als volgt:
7 timmerlieden, 3 smeden, 2 wagenmakers en 4 rietdekkers.
In het jaarverslag over 1851 worden geen andere beroepen vermeld, maar er zal ongetwijfeld ook een aantal tappers, bakkers, slagers e.d. geweest zijn.
In 1900 waren er 5 sigarenfabrieken, 3 klompenmakerijen, 2 korenmolens, waarvan er 1 tevens op stoom werkte, 3 vlasserijen, 7 broodbakkerijen, 5 smeden, 2 barbiers, 4 kleermakers, 1 kuiper, 3 metselaars, 2 rietdekkers, 5 schoenmakers, 9 timmerlieden en 3 schilders.
In 1930 vermeldt het jaarverslag 13 bakkerijen, 2 klompenmakerijen, 5 metselaars, 7 rijwielherstellers, 4 schilders, 7 schoenmakers, 8 sigarenfabrieken, 6 smeden, 9 timmerlieden en 2 wagenmakers.
De rest van de bevolking was voornamelijk agrarisch van samenstelling.
De welvaart was dus sterk afhankelijk van de opbrengst van de gewassen.
Op 3 augustus 1826 ontstond er ten gevolge van blikseminslag brand binnen de gemeente. 20 Huizen, 11 schuren, de pastorie en de gemeentetoren werden een prooi van de vlammen. Gedeputeerde staten schreven alle gemeentebesturen aan om een huis aan huis collecte te houden ten behoeve van de slachtoffers.
In 1873 is er sprake van de aanleg van een nieuwe begraafplaats, waarop in 1874 een lijkenhuisje wordt opgericht.
Tussen 1872 en 1878 volgde de ene gemeentesecretaris in sneltreinvaart de andere op. Dit begon toen gemeentesecretaris C. van Beek op 16 november 1872 ontslagen werd vanwege "verregaande en bij herhaalde achteloosheid". Op 1 juni 1873 werd hij opgevolgd door D. van der Heijden. Deze vertrok echter reeds op 15 februari 1874. Precies een jaar later verscheen Pieter van Schravendijk als gemeentesecretaris. Deze hield het per 1 juli 1878 voor gezien. Hij werd opgevolgd door J.W.C.M. van Sittert. Deze bleef tot zijn overlijden in 1912.
Bij wet van 22 april 1879 werd de gemeente samengevoegd met de gemeente Emmikhoven en Waardhuizen en heette vanaf dan Almkerk. Uit de gemeenterekening over 1879 blijkt dat de nieuw gevormde gemeente op 15 juli 1879 daadwerkelijk van start is gegaan.
Geheel vreemd was de samenvoeging overigens niet. Emmikhoven was op kerkelijk gebied reeds langer op Almkerk georiënteerd. Maar ook op het gebied van het onderwijs werd er reeds voor die tijd tussen de beide gemeenten samengewerkt. Zo bezochten reeds vanaf 1861 kinderen uit bepaalde delen van de gemeenten elkanders scholen en bestond er sinds 1872 de Commissie van beheer van de gemeenschappelijke schoolbelangen van Almkerk en Emmikhoven.
Het initiatief tot de samenvoeging werd in 1875 namens de minister door gedeputeerde staten genomen. De gemeente Almkerk en Uitwijk reageerde niet direct afwijzend. Vanuit onderwijskundig oogpunt werd een samenvoeging toegejuicht. In datzelfde jaar nog werd een ontwerp van wet toegezonden. Blijkens het jaarverslag over 1876 stond de gemeente Emmikhoven en Waardhuizen niet te springen.
Op 30 juni 1877 vond er een grote brand plaats, waarbij de korpsen uit Dussen, Werkendam en Emmikhoven assistentie verleenden. 39 woningen en schuren werden binnen twee uur een prooi der vlammen. Hierbij is ook de toren afgebrand. Tijd tot redden was er bijna niet omdat nagenoeg de hele mannelijke bevolking op het veld aan het werken was. Een jaar later sloot de gemeente een geldlening ter bekostiging van het herstel van de toren. In 1878 werd ook een nieuwe klok in de toren gehangen.
Blijkbaar was men bij genoemde brand tegen de beperkingen van de eigen brandspuit aangelopen, want in 1878 werd tevens een nieuwe brandspuit aangeschaft.
In 1881 werd een partij oud ijzer, afkomstig van de afgebrande spits van de toren, verkocht aan Kuindert van de Water.
Veeteelt en in mindere mate paardenfokkerij, maar vooral vlasteelt waren belangrijke middelen van bestaan.
In 1880 waren 145 personen werkzaam in de 11 vlasserijen. In die tijd bood een sigarenfabriekje werk aan 20 personen. De vlasteelt verloor haar belang, maar die van de sigarenindustrie steeg. In 1930 waren er reeds 8 sigarenbedrijfjes.
Daarnaast verschafte de riet- en griendcultuur werk aan veel mannen.
In 1894 werd een geldlening van f. 1.000,-- gesloten t.b.v. de aanschaf van een lijkkoets.
Voordat in 1904 een nieuw gemeentehuis gebouwd werd had de gemeente niet de beschikking over een eigen gemeentehuis. Voor het houden van de (raads)vergaderingen werd ruimte gehuurd in een van de logementen. Gedurende enkele decennia werd ruimte gehuurd in het logement van de familie Dekker en, later, van J. Jonkers.
De vergoeding hiervoor bedroeg in 1814 f. 25,-- en in 1895 f. 210,--.
In 1903 was een pand aangekocht van Van Dusseldorp t.b.v. het onderbrengen daarin van het raadhuis, raadkamer en secretarie. Waarschijnlijk is toch besloten het pand te slopen, want in 1904 werd er een geldlening van f. 6.000,-- gesloten voor de nieuwbouw van het raadhuis. Aannemer was Anthonij de Later, te Almkerk. De aanneemprijs bedroeg f. 7.779,--. Op 2 januari 1905 werd het meubilair naar het nieuwe raadhuis vervoerd.
In 1922 werd er voor het eerst een schrijfmachine aangeschaft. Merk: Remington; prijs: f. 480,69.
2. Geschiedenis van het bestuur
Bij Keizerlijk Decreet van 9 juli 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd bij Frankrijk. In maart 1810 waren Zeeland en Brabant al voorgegaan.
Bij Keizerlijk Decreet van 18 oktober 1810 verscheen het "Algemeen Reglement voor de organisatie der Hollandsche Departementen". Het Hollandse gebied was verdeeld in 9 departementen, welke weer waren onderverdeeld in arrondissementen en deze weer in communes of gemeenten. Aan het hoofd van de departementen stond een prefect, aan het hoofd van een arrondissement de onderprefect of sous-prefect en aan het hoofd van de gemeente de maire. Deze werd benoemd door de prefect. Hij had naast zich een adjoint-du-maire. De maire was tevens ambtenaar van de burgerlijke stand. Tevens was hij voorzitter van de gemeenteraad. De benoeming van de leden van de gemeenteraad geschiedde door de prefect. De gemeenteraad verkoos uit haar midden bij meerderheid van stemmen een secretaris. De invloed van de raad was zeer beperkt. Zij werd alleen geraadpleegd over de begroting en oefende financiële controle uit op de rekening, die de maire aflegde aan de prefect.
De inrichting van de begroting geschiedde conform het model, vastgesteld bij Keizerlijk Decreet van 12 augustus 1806.
In november 1813 werd de nationale zelfstandigheid herwonnen. Aanvankelijk veranderde er niets in de inrichting en samenstelling van de gemeentebesturen. In de Grondwetten van 1814 en 1815 werd het voornemen uitgesproken om reglementen vast te stellen voor de bestuurlijke inrichting van de gemeenten. Bij Koninklijk Besluit van 8 mei 1819 (Provinciaal Blad 1820, nr. 97) werd vastgesteld het "Reglement van het bestuur van het Platteland in de Provincie Noord-Braband".
Het platteland van Noord-Brabant werd verdeeld in 7 districtsambten. Aan het hoofd hiervan stond een districtsschout. Almkerk en Uitwijk ressorteerde onder het derde districtsambt, met Waalwijk als hoofdplaats.
De gemeenteschout en de gemeenteraad waren belast met het bestuur van de gemeente. Zij werden daarbij bijgestaan door de secretaris.
De gemeenteschout werd benoemd door de koning en maakte deel uit van de raad. De leden van de raad werden door Gedeputeerde Staten, op voordracht, benoemd voor een periode van 6 jaar. Om de 2 jaar trad 1/3 gedeelte af volgens rooster.
De schout en de raad stelden onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten de gemeente-ontvanger aan. De schout was belast met het toezicht op de ambtenaren, voerde wetten uit en maakte de akten van de burgerlijke stand. De raad was belast met het vaststellen van de begroting, het vaststellen van verordeningen etc. en het nemen van rekening en verantwoording der plaatselijke financiën.
Bij Koninklijk Besluit van 23 juli 1825 (bijvoegsel Staatsblad 1825) werd een "Algemeen reglement op het bestuur ten platte landen" vastgesteld. Op 25 augustus van dat jaar kwam de nieuwe raad voor het eerst bijeen.
De gemeenteschout heette voortaan burgemeester. Bij Gouvernementsbesluit van 3 december 1839 kwam een nieuwe indeling van Noord-Brabant in districten tot stand. Almkerk en Uitwijk kwam te behoren onder het district waarvan Boxtel de hoofdplaats werd.
Op 29 juni 1851 kwam de gemeentewet tot stand. De districten en het onderscheid tussen stads- en plattelandsgemeenten werd opgeheven.
De gemeenteraad zou voortaan worden gekozen uit en door de ingezetenen (voorlopig alleen de censuskiezers). De zittingsduur was 6 jaar, ook die van de wethouders, welke uit en door de raad werden benoemd.
1/3 gedeelte van de raad trad elke twee jaar af en was weer herkiesbaar. Van de wethouders trad elke 3 jaar de helft af en was weer herkiesbaar.
De burgemeester werd voor 6 jaar door de koning benoemd.
De gemeentesecretaris en gemeente-ontvanger werden door de raad benoemd, geschorst en ontslagen, op voordracht van burgemeester en wethouders.
Het dagelijks bestuur werd gevormd door het college van burgemeester en wethouders.
De gemeentewet van 1851 is, inclusief de vele wijzigingen, nog steeds de grondslag voor de huidige samenstelling en werkwijze van het gemeentebestuur.
De belangrijkste wijzigingen betreffen: de invoering van algemeen mannenkiesrecht in 1917, in plaats van het censuskiesrecht, de invoering van algemeen vrouwenkiesrecht in 1922, de terugbrenging van de zittingsperiode van raadsleden en wethouders van 6 naar 4 jaar en de afschaffing van de periodieke aftreding.
Voorganger
Geschiedenis van het archiefbeheer
Inhoud en structuur van het archief
Toegangscontrole
Verantwoording van de bewerking
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Citeerinstructie
Bijlagen
Lijst van burgemeesters (schout, maire) en secretarissen van Almkerk
Beschrijving van de series en archiefbestanddelen
Kenmerken
Datering:
1879-1931(1973)
Titel:
Gemeentebestuur, Almkerk
Beschrijving:
Inventaris van het archief van het gemeentebestuur van Almkerk
Inhoud/samenvatting:
Archiefstukken betreffende het bestuur van de huishouding van de gemeente op basis van de bestuursreglementen van 1819, 1825 (platteland) en de Gemeentewet van 1851, waarbij administratief-bestuurlijke bevoegdheden werden toegekend om genoemde taak uit te oefenen (uitvaardiging van verordeningen en uitvoering van besluiten van hogere organen).
Auteur:
A.L. de Graaff, Streekarchief Langstraat Heusden Altena, Heusden
Omvang:
15,70 m
Openbaarheid:
Geen beperkingen
Uitgever:
Streekarchief Langstraat Heusden Altena, Heusden
Geografische namen:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS